Advies Afdeling advisering over zesde verlenging Tijdelijke wet maatregelen covid-19

02 mei 2022

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over de zesde verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (de ‘coronawet’) per 1 juni 2022. Het advies is op 28 april 2022 openbaar gemaakt.

Juridisch kader

Met de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm of de ‘coronawet’) is een tijdelijk hoofdstuk (hoofdstuk Va) toegevoegd aan de Wet publieke gezondheid (Wpg). Dit hoofdstuk biedt de grondslag voor de diverse coronamaatregelen. De tijdelijke wet vervalt na drie maanden, tenzij die wordt verlengd met drie maanden. Zo’n verlenging gebeurt met een koninklijk besluit. Voordat het besluit wordt genomen, moet de Afdeling advisering om advies worden gevraagd over de bestaande maatregelen. Daarna moet het ontwerp-koninklijk besluit voor de verlenging eerst aan zowel de Tweede als de Eerste Kamer worden overgelegd. Als één van beide Kamers besluit om niet in te stemmen met de verlenging van de coronawet, vervalt de coronawet in zijn geheel.

Welke delen van de coronawet worden verlengd en welke niet?

Het voorstel verlengt de geldingsduur van een aantal bepalingen van de coronawet voor de periode van 1 juni 2022 tot 1 september 2022. Sommige bepalingen worden echter niet verlengd en vervallen per 1 juni 2022. Het gaat dan om bepalingen die de basis zijn voor coronaregels over groepsvorming en de uitoefening van contactberoepen. Ook vervallen de bepalingen die de bezettingsgraad regelen van onder meer hotels en de bepalingen over onderwijsinstellingen en kinderopvangcentra. Ten slotte vervalt in het oorspronkelijke voorstel ook de wettelijke basis voor de inzet van het coronatoegangsbewijs (ctb) voor het beroepsonderwijs of hoger onderwijs.

Advies

De Afdeling advisering heeft bij de vijfde verlenging van de coronawet aangegeven dat het moment niet langer verlengd kan worden dichterbij kwam. Daarbij is echter wel van belang dat het nog altijd onzeker is hoe de pandemie verder zal verlopen. Ook is er geen alternatieve wettelijke grondslag als blijkt dat er toch maatregelen moeten worden genomen. Het laten vervallen van de coronawet is op dit moment daarom niet verantwoord, omdat de kans dat de wetgever dan vanwege het ontbreken van die wettelijke grondslag opnieuw te laat ingrijpt, aanzienlijk is.

Daarom heeft de Afdeling advisering er begrip voor dat de coronawet nogmaals wordt verlengd. Maar zij vindt wel dat de motivering van de noodzaak van een nieuwe verlenging moet worden verbeterd. Ten eerste moet duidelijker worden gemaakt dat de coronawet ook daadwerkelijk een tijdelijke wet zal zijn. Daarnaast moet de regering het belang benadrukken om in het kader van een integrale herziening van het staatsnood- en crisisrecht, op korte termijn in plaats van de coronawet een permanent wettelijk kader creëren met het oog op de bestrijding van een grootschalige pandemie. Met het oog op de wens om de coronawet zo snel mogelijk te laten vervallen moet in de toelichting bij het wetsvoorstel een concrete tijdsplanning worden opgenomen.

Reactie regering

In haar reactie geeft de regering aan mede gelet op het gevoelen van de Tweede Kamer en de door de Eerste Kamer aangenomen motie-De Boer (Kamerstukken I, 2021/22, 35 979, nr. G) ervoor te kiezen om de wettelijke grondslag voor het ctb voor dit moment te laten vervallen. Dit is dus anders dan het oorspronkelijke voorstel waarin de wettelijke grondslag voor het ctb alleen voor het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs werd afgeschaft. De motie-De Boer spreekt de wens van de Eerste Kamer uit om de verlenging van de coronawet te beperken tot basismaatregelen zoals afstand, mondkapjes en hygiëne.

Overbruggingswet

Ook gaat de regering aan de slag met de voorbereiding van een ‘overbruggingswet’. De bedoeling van deze wet is om bepalingen uit het tijdelijke hoofdstuk Va Wpg structureler in de Wpg te laten opnemen, uitsluitend ten behoeve van de covid-19-epidemie. Met die optie komen er voor dit doel wettelijke grondslagen voor een overbruggingsperiode om maatregelen te kunnen treffen. Deze periode betreft de periode tot het moment dat de Wpg is herzien voor toekomstige pandemieën of tot het moment dat gezien de ontwikkeling van het virus het niet langer noodzakelijk en proportioneel is om specifieke bevoegdheidsgrondslagen voor die bestrijding te behouden.

Conform de motie-Tielen (Kamerstukken II, 2021/22, 36 042, nr. 11) streeft de minister van VWS ernaar het wetsvoorstel vóór 1 september 2022 in te dienen. Daaraan voorafgaand, in de eerste helft van mei 2022, zal de minister de gevraagde hoofdlijnenbrief naar de Tweede Kamer verzenden. In die brief zal hij nader ingaan op de inhoud van deze eerste tranche van de Wpg en de planning nader concretiseren.

Bronnen: Raad van State, 28 april 2022 en Advies Afdeling advisering over zesde verlenging coronawet, 28 april 2022

Zie ook het bericht Advies Afdeling advisering over vijfde verlenging Tijdelijke wet maatregelen covid-19, in OpMaat Bestuursrecht van 3 maart 2022.
En het bericht ‘Van nood­wet tot cri­sis­recht’, spon­taan ad­vies Afdeling advisering , in OpMaat Bestuursrecht van 20 december 2021.