Hof wijst in kort geding eisen Viruswaarheid over coronamaatregelen af

06 september 2021

Het gerechtshof Den Haag heeft op 31 augustus uitspraak gedaan in het kort geding dat de Stichting Viruswaarheid tegen de Staat had aangespannen over alle geldende coronamaatregelen. Volgens Viruswaarheid berusten de maatregelen op wettelijke regels die in strijd zijn met mensenrechten. De stichting vindt dat de maatregelen daarom direct van tafel moeten. Net als de voorzieningenrechter (Rb. Den Haag 10 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4773) geeft het Haagse gerechtshof Viruswaarheid hierin geen gelijk.

Het geschil

De kern van de klachten van de Stichting Viruswaarheid (hierna: de Stichting) is dat de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 , het Tijdelijk besluit veilige afstand en hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid (waarin de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 is gecodificeerd) onmiskenbaar onverbindend zijn, omdat zij in strijd zijn met (het systeem van) art. 103 Grondwet, art. 15 EVRM en art. 4 IVBPR. Volgens de artikelen 15 EVRM en 4 IVBPR kan in geval van een algemene noodtoestand worden afgeweken van de verplichtingen die in die verdragen zijn neergelegd. In art. 103 Grondwet is neergelegd in welke gevallen en onder welke voorwaarden een uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd. De Stichting heeft aangevoerd dat het pakket van maatregelen dat de Staat heeft genomen, bepaalde vrijheden dermate vergaand beperkt dat de Staat ermee afwijkt van de verplichtingen die ingevolge het EVRM en het IVBPR op de Staat rusten. Die afwijking kan alleen na een door de Staat uitgeroepen noodtoestand of afgekondigde uitzonderingstoestand en dat is niet gebeurd. Daarmee schendt de Staat het systeem van de artikelen 103 Grondwet, 15 EVRM en 4 IVBPR, zo betoogt de Stichting.

Beoordeling door het hof

De vraag is dus of de Staat met (het hele pakket van) de geldende maatregelen afwijkt van deze grondwettelijke en/of verdragsverplichtingen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en oordeelt dat met de getroffen coronamaatregelen weliswaar grondrechten worden ingeperkt, maar ook dat die inperkingen volgens de toepasselijke verdragen zijn toegestaan. In dit verband wijst het hof erop dat veel mensenrechten niet inhouden dat zij onvoorwaardelijk, onder alle omstandigheden en in alle opzichten een vrijheid aan burgers geven (‘absolute rechten’). Voor de niet absolute mensenrechten (zoals bijvoorbeeld art. 8 EVRM: eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) gelden beperkingsmogelijkheden.

Geen schending verdragsverplichtingen

Het hof oordeelt dat de Staat, gelet op de situatie rondom de covid-19 pandemie de grondrechten mocht inperken. Het hof heeft daarbij allereerst gelet op het doel van de wettelijke maatregelen: de bescherming van de volksgezondheid tegen de covid-19 pandemie. Daarnaast gelden de maatregelen tijdelijk en is het beleid van de Staat erop gericht om de maatregelen waar mogelijk te versoepelen. Dat alles maakt dat volgens het hof geen verdragsverplichtingen worden geschonden.

Gerechtshof Den Haag 31 augustus 2021 (Vzr.), ECLI:NL:GHDHA:2021:1603 en Rechtspraak, 31 augustus 2021