Termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege uitbraak coronapandemie

15 juli 2021

In deze zaak acht de voorzieningenrechter van de Afdeling de termijnoverschrijding bij het indienen van een bezwaarschrift gelet op de uitbraak van de coronapandemie verschoonbaar. Daarbij gaat de voorzieningenrechter mee in het betoog van appellant dat de postafdeling van zijn rechtsbijstandverlener niet op de pandemie en de beperkende maatregelen was voorbereid.

Gang van zaken

A is eigenaar van een perceel in Tilburg. Op het perceel stond tot voor kort een aantal gebouwen, waaronder een loods en een woonwagen. Het college van de gemeente Tilburg heeft bij besluit van 5 februari 2020 aan A een last onder dwangsom opgelegd omdat er geconstateerd was dat in de woonwagen werd gewoond, wat in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft het bezwaar van A tegen deze last bij besluit van 8 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat het op 6 april 2020 ontvangen bezwaarschrift te laat is ingediend en er volgens het college geen redenen waren om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. A heeft inmiddels aan de last voldaan en de woonwagen verwijderd.

Niet voorbereid op de coronapandemie

A betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college gehouden was het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Hij voert hiertoe aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was wegens een beroepsfout van zijn toenmalige rechtsbijstandverlener. Het bezwaarschrift is volgens hem tijdig op 16 maart 2020 intern aangeboden aan de postafdeling/postkamer van het hoofdkantoor van deze rechtsbijstandverlener. Als gevolg van een omissie aan de zijde van het hoofdkantoor heeft het bedoelde poststuk PostNL nooit bereikt. Het hoofdkantoor was volgens A medio maart 2020 niet voorbereid op de coronapandemie en de daarover afgekondigde maatregelen. Een eerdere verzending van het bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn was niet mogelijk omdat deze termijn nodig was om een goed onderbouwd bezwaarschrift in te dienen. Daarnaast is het bezwaarschrift ook naar het e-mailadres van een ambtenaar van de gemeente Tilburg verstuurd, zoals dat adres in het primaire besluit stond. Dat e-mailadres is achteraf onjuist gebleken. Toen duidelijk werd dat het bezwaarschrift niet door het college was ontvangen, is het direct alsnog toegestuurd. De rechtbank heeft volgens A ten onrechte geoordeeld dat hij het risico heeft genomen dat het bezwaarschrift niet tijdig door het college zou worden ontvangen door het niet naar het daartoe in het besluit vermelde digitale adres te sturen. Ook had de rechtbank zijn beroep inhoudelijk moeten behandelen, aldus A.

Termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege uitzonderlijke situatie

De voorzieningenrechter van de Afdeling constateert dat niet in geschil is dat de termijn om bezwaar in te dienen tegen het besluit van 5 februari 2020 tot en met 18 maart 2020 liep en dat het college pas op 6 april 2020 een bezwaarschrift van de rechtsbijstandverlener van A heeft ontvangen. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat de termijnoverschrijding plaatsvond ten tijde van de door de Nederlandse overheid afgekondigde maatregelen in verband met de coronapandemie, welke maatregelen in de tweede helft van maart 2020 zijn ingegaan. Niet in geschil is dat in die periode, tijdens de bezwaartermijn, alle vestigingen van de rechtsbijstandverlener werden gesloten, behalve het hoofdkantoor dat alle post moest verwerken. Gelet op de uitzonderlijke situatie die zich niet eerder in Nederland had voorgedaan en de tijdens de bezwaartermijn afgekondigde beperkende maatregelen, valt te begrijpen dat de rechtsbijstandverlener van A in die periode niet was voorbereid op een tijdige verwerking van de post van alle vestigingen. De voorzieningenrechter is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat onder deze omstandigheden de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Het betoog van A slaagt.

Beslissing voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter verklaart het beroep van A gegrond en vernietigt het besluit van 8 juni 2020. Het college moet in het nieuw te nemen besluit de bezwaren van A tegen het besluit van 5 februari 2020 alsnog inhoudelijk behandelen.

RvS 7 juli 2021 (Vzr.), ECLI:NL:RVS:2021:1440