Advies Afdeling advisering over wets­voor­stel slui­tings­be­voegd­heid bij co­ro­na-uit­braak

29 april 2021

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel dat de Wet publieke gezondheid (Wpg) wijzigt voor de introductie van een sluitingsbevoegdheid voor burgemeesters bij een corona-uitbraak. Het wetsvoorstel is op 22 april 2021 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 23 april is het advies van de Afdeling advisering openbaar geworden.

Inhoud van het voorstel

Het wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2020/21, 35 817, nr. 2) introduceert een bevoegdheid voor de burgemeester om (een gedeelte van) een publieke of besloten plaats voor een periode van maximaal tien dagen te sluiten als daar een corona-uitbraak is. De wijziging betreft een uitbreiding van het hoofdstuk met tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de coronapandemie in de Wpg (hoofdstuk Va van de wet, dit hoofdstuk maakt onderdeel uit van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 , red.).

Bevoegdheidsgrondslag

Er bestaan al verschillende wettelijke bepalingen op grond waarvan publieke of besloten plaatsen kunnen worden gesloten. Die zijn echter niet toegesneden op de situatie waarvoor nu een bevoegdheid wordt gecreëerd. In de toelichting bij het wetsvoorstel staat dat ook, maar de Afdeling advisering vindt deze toelichting niet volledig. Er zou uit kunnen worden afgeleid dat het ook nu nog is toegestaan om op grond van de noodbevoegdheden in de Gemeentewet meer structurele maatregelen in verband met de coronacrisis te nemen die een inbreuk op de uitoefening van grondrechten tot gevolg kunnen hebben. Dat was verdedigbaar in het begin van de coronacrisis omdat er toen sprake was van een acute, concrete en levensbedreigende noodsituatie. Gelet op de duur van de coronacrisis is die constructie nu niet meer houdbaar.

Uitzondering voor ‘levensbeschouwelijke gebouwen’

Het wetsvoorstel zondert bepaalde locaties van de sluitingsbevoegdheid uit, zoals ‘levensbeschouwelijke gebouwen’ (kerken, moskeeën, tempels). De Afdeling advisering vindt de redenering op grond waarvan de regering dat doet echter niet overtuigend. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat een publieke of besloten plaats gesloten kan worden als dit nodig is, omdat er ernstige risico is voor de onmiddellijke verspreiding van het coronavirus door een uitbraak. Dit leidt immers tot een gevaar voor de volksgezondheid. Dat uitgangspunt zou ook moeten gelden wanneer de bron van het ernstige risico een ‘levensbeschouwelijk gebouw’ is. Het belijden van godsdienst of levensovertuiging in deze gebouwen is grondwettelijk beschermd. Dit sluit echter niet uit dat daarop met het oog op de bescherming van de volksgezondheid beperkingen kunnen worden gesteld in een specifieke wet. Het advies is dan ook om de uitzondering voor levensbeschouwelijke gebouwen te schrappen.

Sluitingsperiode van maximaal tien dagen

Op grond van het wetsvoorstel kan een bevel tot sluiting worden gegeven voor een periode van maximaal tien dagen. De Afdeling advisering wijst erop dat niet altijd binnen tien dagen kan worden verholpen dat zich op korte termijn een nieuwe uitbraak voordoet. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de ventilatie in een gebouw niet op orde is. Voor die gevallen zou het voorstel het daarom mogelijk moeten maken om de sluiting met een in de wet geregelde termijn te verlengen. Heropening kan dan pas aan de orde zijn als een situatie is bereikt waardoor het risico op een nieuwe uitbraak tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht.

Reactie regering

In het nader rapport geeft de regering onder meer aan dat met de in dit wetsvoorstel voorgestelde specifieke bepaling voor sluiting in geval van een uitbraak er in principe ook geen noodzaak is om het noodbevel op grond van art. 175 Gemeentewet toe te passen. Voor zover het sluiten van een locatie een beperking van de grondwettelijk beschermde grondrechten tot gevolg heeft, is het uitgangspunt dat een dergelijke maatregel dan ook op een voldoende specifieke bepaling in een wet in formele zin gebaseerd dient te worden. Het nieuwe art. 58na Wpg biedt deze specifieke wettelijke bepaling. Paragrafen 2.1 en 4.3 van de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2020/21, 35 817, nr. 3) zijn op dit punt aangevuld.

Bij bijzondere omstandigheden ook sluiting levensbeschouwelijke gebouwen

Ook zijn conform het advies van de Afdeling advisering levensbeschouwelijke gebouwen alsnog onder de reikwijdte van de bevelsbevoegdheid van het voorgestelde art. 58na Wpg gebracht. Wel moet er bij een sluiting sprake zijn van bijzondere omstandigheden van een zodanige aard dat sluiting de enige optie is. In dat kader is in het wetsvoorstel opgenomen dat de burgemeester pas overgaat tot het geven van een sluitingsbevel als aan genootschappen op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag de gelegenheid is geboden om zelf maatregelen te nemen en deze maatregelen naar het oordeel van de burgemeester, na raadpleging van de GGD, onvoldoende zijn om het gevaar voor de volksgezondheid te beteugelen.

Bronnen: Raad van State, 23 april 2021; Kamerstukken II, 2020/21, 35 817, nr. 4 en Tweede Kamer, 22 april 2021

Zie ook het bericht Wetsvoorstel sluitingsbevoegdheid voor burgemeesters bij corona-uitbraak , in OpMaat Bestuursrecht van 15 maart 2021.