Ad­vies Afdeling advisering over spoed­wet avond­klok

18 februari 2021

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het spoedwetsvoorstel van de regering voor het instellen van de avondklok. Dit wetsvoorstel biedt een nieuwe wettelijke basis voor de avondklok en is op 17 februari bij de Tweede Kamer ingediend.

Twee opmerkingen over het voorstel

De Afdeling advisering maakt in het advies twee opmerkingen over het voorstel. De regering heeft deze allebei overgenomen in het wetsvoorstel dat zij naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Zo vroeg de Afdeling advisering zich ten eerste af waarom de regering koos voor een aparte wet en niet voor het onderbrengen van de avondklok in bestaande coronawetgeving.

Verder adviseerde zij de regering om in de toelichting op het wetsvoorstel voor parlement en samenleving zo duidelijk mogelijk aan te geven hoe de belangen met aan de ene kant het belang van de bestrijding van het virus en aan de andere kant het belang van grond- en vrijheidsrechten zijn afgewogen en hoe in verband daarmee de proportionaliteit van de avondklok wordt gemotiveerd. Hierbij kunnen de OMT-adviezen vanzelfsprekend een rol spelen, maar alleen verwijzen naar de eerder gemaakte grondrechtelijke afweging is niet voldoende, aldus de Afdeling advisering.

Afzonderlijke wettelijke grondslag

Directe aanleiding voor het wetsvoorstel is de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Deze heeft op 16 februari 2021 geoordeeld dat de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) die nu de wettelijke grondslag vormt voor de avondklok, ten onrechte is geactiveerd en dat art. 8, eerste en derde lid Wbbbg, daarom onmiddellijk buiten werking moeten worden gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2021:1100).

De Afdeling advisering stelde de vraag waarom het oorspronkelijke wetsvoorstel zoals dat aan haar was voorgelegd, de vorm van een separate wet had gekregen die uitsluitend op het vertoeven in de open lucht ziet en niet een aanpassing van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm) betrof. De toelichting stelde hierover uitsluitend dat hiervoor was gekozen vanwege het bijzondere karakter van de maatregel. Bij de totstandkoming van de Twm is aan de orde geweest op welke wijze de maatregelen die nodig zijn in verband met de bestrijding van Covid-19 wettelijk moesten worden vormgegeven. Hierbij is uiteindelijk niet gekozen voor een separate wet, maar voor opname van een (tijdelijk) hoofdstuk Va in de Wet publieke gezondheid (Wpg) . Deze keuze werd in het bijzonder gemotiveerd met het argument dat door onderbrenging van de tijdelijke bepalingen in de Wpg de samenhang tussen de maatregelen voor de infectieziektebestrijding en de daarmee gepaard gaande verplichtingen en bevoegdheden gewaarborgd blijft.

De vraag van de Afdeling advisering was waarom in lijn met de eerder ingeslagen koers nu niet gekozen is voor wijziging van de Twm.

Huidig wetsvoorstel

De regering geeft in het nader rapport aan dat zij het advies van de Afdeling advisering om het wetsvoorstel alsnog vorm te geven als een wijziging van de Twm (in casu de Wpg), heeft overgenomen. Het wetsvoorstel Tijdelijke wet beperking vertoeven in de openlucht covid-19 (Kamerstukken II, 2020/21, 35 732, nr. 2) zoals dit nu op 17 februari bij de Tweede Kamer is ingediend betreft een wijziging van de Wpg.

Proportionaliteit

Ten aanzien van de vraag van de Afdeling advisering naar de proportionaliteit van de avondklok in relatie tot grond- en vrijheidsrechten geeft de regering in de gewijzigde toelichting onder meer aan dat een avondklok een inperking van de grondrechten vormt, maar dat de regering geen mogelijkheid ziet om met een minder stringente maatregel het doel te bereiken. Een alternatieve maatregel voor de avondklok zou zijn een inperking van het recht om mensen te bezoeken of ontvangen gedurende de dag. Dit acht de regering een grotere inperking van de grondrechten en mensenrechten dan de instelling van de avondklok. Mogelijkheden voor een minder stringente avondklok acht de regering niet aanwezig (Kamerstukken II, 2020/21, 35 732, nr. 3, p. 6 en 7).

Bronnen: Raad van state, 17 februari 2021; Kamerstukken II, 2020/21, 35 732, nr. 4; Kamerstukken II, 2020/21, 35 732, nr. 3, p. 6 en 7; Kamerstukken II, 2020/21, 35 732, nr. 2 en Tweede Kamer, 17 februari 2021

Zie ook onderstaande berichten in OpMaat Bestuursrecht:

Voorzieningenrechter: staat moet avondklok laten vervallen , 16 februari 2021

Avondklok blijft gehandhaafd tot uitspraak hoger beroep , 17 februari 2021