Rechter in kort geding: Staat hoeft beperkende maatregelen in verband met COVID-19 niet in te trekken

27 juli 2020

De voorzieningenrechter van rechtbank Den Haag heeft op 24 juli geoordeeld dat de Staat de beperkende maatregelen om verspreiding van COVID-19 te voorkomen niet hoeft in te trekken. De vordering van Stichting Viruswaarheid.nl (actiegroep Viruswaanzin) is op alle onderdelen afgewezen.

Het geschil: argumenten Viruswaanzin

Viruswaanzin vorderde de Staat te veroordelen om de voorzitters van de veiligheidsregio’s onmiddellijk te bevelen alle noodverordeningen per omgaande in te trekken en de aangekondigde Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Kamerstukken II, 2019/20, 35 526, nr. 2, red.) onverbindend te verklaren.

Volgens Viruswaanzin is het voortduren van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 in de huidige omstandigheden en met het voortschrijdende wetenschappelijke inzicht over COVID-19, onaanvaardbaar. De actiegroep voert aan dat de maatregelen vergaande beperkingen van de Grondwet en mensenrechtenverdragen opleveren. Omdat de maatregelen in noodverordeningen zijn neergelegd mogen zij, nu een verordening geen wet in formele zin is, niet (voor langere duur) gebruikt worden om grondrechten in te perken. Ook acht Viruswaanzin de besluitvorming rondom de maatregelen ondeugdelijk.

Beoordeling voorzieningenrechter: maatregelen niet onrechtmatig

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrijheidsbeperkende maatregelen die de Staat heeft genomen, niet onrechtmatig zijn. De Staat handelt hierbij voldoende zorgvuldig. Want vooraf wordt steeds advies van een team deskundigen verenigd in het Outbreak Management Team ingewonnen. Daarna worden de diverse belangen gewogen en maakt de Staat beleidskeuzes.

Gekozen aanpak Staat niet evident onjuist

Met de keuzes van de Staat is niet iedereen in Nederland het eens. Er is veel (populair-) wetenschappelijke discussie over aard, ernst en aanpak van het coronavirus. Dat betekent echter niet dat de door de Staat gekozen aanpak evident onjuist is, aldus de voorzieningenrechter. Het gaat hierbij niet alleen om de ernst van de ziekteverschijnselen en (een schatting van) het percentage besmette mensen dat aan de ziekte zal overlijden maar ook om het risico op massale besmetting en verspreiding en als gevolg daarvan overbelasting van het zorgsysteem. De Staat komt bij zijn afweging van al deze belangen een grote mate van beoordelingsvrijheid toe. Het is niet aan de rechter in kort geding om een ‘battle of experts’  te beslechten. 

De door de Staat genomen maatregelen zijn volgens de voorzieningenrechter ook niet disproportioneel. Er vindt geregeld evaluatie plaats. Dat heeft al aantoonbaar geleid tot versoepelingen van eerder genomen maatregelen.

Voldoende wettelijke basis

De voorzieningenrechter overweegt verder dat de noodverordeningen die op dit moment aan de maatregelen ten grondslag liggen, vooralsnog daartoe voldoende wettelijke basis bieden.

Het betoog van Viruswaanzin dat grondrechten niet mogen worden ingeperkt door middel van het gebruik van een verordening, althans niet voor langere duur, slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet.

Noodverordening voldoet aan het EVRM

Het EVRM bepaalt dat beperkingen op grondrechten bij wet moeten zijn voorzien, maar daarmee wordt niet noodzakelijkerwijs gedoeld op een wet in formele zin. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt aan de term ‘wet’ een materiële betekenis toegekend. Ook een door een gemeente vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zoals een (nood)verordening, valt onder het materiële begrip van een wettelijke regeling. De vorm waarin de maatregelen zijn gegoten, voldoet dus aan het vereiste dat het EVRM daarvoor stelt. Anders dan Viruswaanzin veronderstelt, bestaat hiervoor geen concrete beperking in tijdsduur.

Wet in formele zin in voorbereiding

Het voorgaande laat onverlet dat, nu duidelijk is dat de Staat voornemens is bepaalde maatregelen voorlopig nog te laten voortduren, vastlegging van die maatregelen in een wet in formele zin, met alle rechtstatelijke waarborgen van dien, de voorkeur verdient. De Staat heeft al op 1 mei jl. aangekondigd te werken aan een noodwet die in de plaats moet komen van de huidige noodverordeningen: de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Die wet is tot op heden niet in werking getreden en ten tijde van de zitting van 25 juni was er zelfs nog geen wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. 

Afwijzing vordering

Het wetsvoorstel voor de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 bevindt zich momenteel nog in een conceptfase. Het uiteindelijke wetsvoorstel zal het gebruikelijke wetgevingsproces moeten doorlopen. Voor rechterlijk ingrijpen is dan ook geen plaats, aldus de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter wijst de vordering van Viruswaanzin af.

Twee eerdere uitspraken

Op 7 juli wees de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag het verzoek van wraking van de voorzieningenrechter die tijdens de zitting van 25 juni het verzoek het kort geding van Viruswaanzin behandelde, af (ECLI:NL:RBDHA:2020:6133). Zie daarvoor het bericht Rechtbank wijst wrakingsverzoek Viruswaanzin af , in OpMaat Bestuursrecht van 8 juli 2020.

Op 27 juni wees de voorzieningenrechter het verzoek van Viruswaanzin om de door Veiligheidsregio Haaglanden verboden demonstratie van 28 juni 2020 op het Malieveld door te laten gaan, af (ECLI:NL:RBDHA:2020:5865). Zie daarvoor het bericht Veiligheidsregio Haaglanden mocht demonstratie Viruswaanzin weer verbieden , in OpMaat Bestuursrecht van 1 juli 2020.

Rb. Den Haag 24 juli 2020 (Vzr.), ECLI:NL:RBDHA:2020:6856 en Rechtspraak.nl, 24 juli 2020

Zie ook onderstaande berichten in OpMaat Bestuursrecht over het op 13 juli 2020 ingediende wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19:

Tijdelijke wet maatregelen covid-19 naar de Tweede Kamer , 15 juli 2020

Ad­vies Raad van Sta­te over Tijdelijke wet maatregelen covid-19 , 16 juli 2020